skip to Main Content

Mijn RSI-catastrofe (en hoe ik terug ben geklauterd). Cartoonist en comedy-scenarist Andy Riley over zijn RSI

Andy Riley is een succesvolle Engelse cartoonist en comedy-scenarist. Hij is bekend van de Bunny Suicides-cartoons en heeft onder andere meegeschreven aan Spitting Image, Little Britain en de Emmy Award winnende HBO-serie Veep. Helaas heeft zijn werk naast succes ook tot RSI geleid. Op zijn eigen blog heeft Andy uitgebreid zijn verhaal verteld. Met zijn toestemming hebben we het vertaald voor RSI-Magazine.

“Hier vertel ik hoe repetitive strain injury, als een asteroïde aan het eind van het Krijt-tijdperk, op me is ingeslagen, mijn leven en carrière heeft verwoest, en hoe ik het voor elkaar heb gekregen daarvan terug te komen.

“Ik heb niet de echte namen gebruikt van de professionals die ik tegen ben gekomen, omdat ik eerlijk moest zijn over hoe vaak ik in de steek ben gelaten. Sommige van deze mensen hadden het beste met me voor. Sommigen waren eikels. Maar het gaat niet alleen om de individuen – zoals je zult zien, denk ik dat er in het hele zorgsysteem een enorm zwakke plek zit.

“Als je RSI hebt, als je iemand kent die het heeft, of als je het risico loopt het te krijgen – en dat loop je – hoop ik dat je een paar dingen op zult pikken.”

– Andy Riley, oktober 2017

Veertig

Ik ben nooit zo’n liefhebber van m’n eigen verjaardagen geweest. Normaal ga ik gewoon verder met wat ik dan ook aan het doen was, waarbij ik misschien een of twee keer stil sta bij hoe de vlag erbij hangt, zucht en denk aan de jaren die als wilde paarden over de heuvels wegrennen.

Veertig voelde anders. Veertig voelde goed. Polly, m’n echtgenote, trakteerde mij en m’n kinderen op een glamping-weekend. Ik goot bier naar binnen en relaxte bij het gejank van vuvuzela’s op de middengolfradio, want tijdens deze maand vond in Zuid-Afrika het Wereldkampioenschap voetbal 2010 plaats. Ik nam een moment om beide kanten op te kijken, want veertig is middenin het leven een handig uitkijkpunt. Het uitzicht beviel me. Ik had een familie waar ik veel van hield, een aantal goede vrienden, en twee ouders in goede gezondheid. Als cartoonist had ik een wekelijkse strip in een landelijke krant en een aantal goed verkopende boeken – waarvan de Bunny Suicides-serie de bekendste is. Als comedy-scenarioschrijver ontmoette ik jeugdhelden, scherpte scenario’s met ze aan en dronk met ze. Ik vulde m’n dagen met het verzinnen van onzin en kreeg daarvoor betaald, en meer dan dat kon ik niet vragen.

Ik ben duidelijk naar een zin aan het opbouwen die zoiets gaat als ‘Ik had geen idee wat me te wachten stond’, maar we zijn er nog niet helemaal, dus nog even geduld alsjeblieft.

Ik hield mezelf (dacht ik) goed in vorm. Ik rende, ik zwom, ik hief gewichten. Een paar zaterdagen ervoor was ik in een club waar ik in een spontane danswedstrijd met een onbekende was beland. Buzz Lightyear in Spaanse modus, dat is mijn strijdmethode. Als ik aan de vooravond van mijn veertigste nog steeds een dans-battle aan kan gaan, zal ik het wel oké doen, dacht ik, terwijl de zon in de nevel wegzakte en ik “Lampard, oelewapper!” naar de radio schreeuwde.

Ik had geen idee wat me te wachten stond. Kijk! Daar zijn we.

Wat me te wachten stond

Ik tekende veel in 2010; drie complete humoristische boeken, allemaal bovenop een fulltime-schrijfcarrière. Kevin Cecil en ik waren achttien jaar samen aan het schrijven. Elk schrijverspartnerschap heeft zijn eigen methoden, maar er is meestal een typist en een ‘penner’. Ik was de typist.

Eind juli liep er een rare pijn van mijn rechterelleboog naar mijn middel- en ringvinger. Een lokale osteopaat porde voorzichtig vijftien minuten mijn rechterschouder en zei toen “zo, het komt weer goed met je.” Uiteraard bleek dit enorm verdomd onjuist te zijn, maar ik had nog geen aanleiding dat te vermoeden. Ik had nooit eerder pijn gehad die niet binnen twee tot drie weken was verdwenen. En nu was het augustus, en dat betekende zomervakantie.

In het vliegtuig naar huis wist ik dat er iets serieus aan de hand was. Ik was Marvel Top Trumps met mijn zoon Bill aan het spelen. Het deed pijn de kaarten te schudden en te delen. Ik had twee weken niet geschreven of getekend, maar toch deed mijn rechterarm meer pijn, niet minder. Je zou het niet geraden hebben als je me zag lachen met Bill terwijl ik hem Wolverine en de Hulk gaf, maar van binnen was ik in paniek.

Ik volhardde een maand om de boeken af te krijgen en toen gooide ik de pen in de la. Ik had duidelijk een repetitive strain injury en nu moest ik wat gaan genezen. Ik hóefde in feite niets te tekenen tot januari, wanneer ik aan mijn volgende humoristische boek zou beginnen voor Hodder and Stoughton, mijn uitgevers. Dan was er nog het scenarioschrijven. “Kun jij nu alsjeblieft typen, Kevin?” vroeg ik. Hij vond het prima. Maar goed ook, want sindsdien heeft hij het altijd moeten doen.

Geld was geen probleem. De stripboeken hadden aardig wat opgebracht en mijn uitgaven hadden dat nooit ingehaald. Altijd als ik belegde broodjes haalde bij de supermarkt, tilde ik ze allemaal op en kocht ik degene die het zwaarst woog voor de prijs. Vrek.

Dus ik had een strijdkas. Tijd om het slot eraf te slopen. Ik woonde in Londen, waar duizenden overbetaalde specialisten waren. Ik zou gebruik maken van alles en iedereen die mijn arm beter kon maken. En vier maanden zouden genoeg zijn. Zou het niet?

Hamers

Ik vond een handenspecialist genaamd Victoria. Ze kon geweldig luisteren. Geweldig meeleven. Een hele rits dinsdagen brabbelde ze over mijn arm en doorboorde ze die daarna met naalden. Ze dacht dat ze een lipoom had gevonden dat op een zenuw zou kunnen drukken.

Ik had een tweesporen-aanpak en vond een andere osteopaat genaamd Rhys. Waar Victoria teder was, was hij onbesuisd. “Je arm is naar z’n grootje, vriend!” zei Rhys. Niet echt medisch nauwkeurig, maar ik wist wat hij bedoelde. Mijn hele rechterschouder stak wat meer naar voren dan m’n linkerschouder. Ik leunde met die rechterschouder naar voren tijdens het schrijven en tekenen. Ik had van nature nooit een vaste hand, dus om precies de gewenste lijndikte te krijgen met de kroontjespennen die ik gebruikte, zette ik elke spier in het bovenste rechterkwart van mijn lichaam in. Ik tekende alsof ik gewichten hief. Dat voelde een half leven geweldig. Nu voelde het dat niet.

“Denk je dat ik fysiotherapie nodig heb?” vroeg ik, terwijl Rhys me opgewekt afranselde.

“Nee,” zei Rhys. “Jij hebt osteopathie nodig, zeker weten.”

“Hoe zit het met dat lipoom-ding dan?”

“Ach,” zei hij, “ze heeft gewoon een van je trigger points gevonden,” en voor ik kon vragen wat een trigger point was, draaide hij me om en stampte hij m’n monnikskapspier fijn.

Er was één ding dat Victoria en Rhys gemeen hadden en dat was hoe elke halfuurs-sessie eindigde.

“Zullen we je voor volgende week dan weer inplannen?”

Volgende week. Onthoud ‘week’. Dat zal later belangrijk zijn.

Natuurlijk dacht Victoria dat haar acupunctuursessies het antwoord waren. Natuurlijk dacht Rhys dat zijn osteopathie het voor elkaar zou krijgen. Zij was een acupuncturist. Hij was een osteopaat. Voor de hamer lijkt alles op een spijker.

Het diepste punt

Tijdens Kerstmis ging alles verkeerd. M’n volledige linkerarm besloot dat die ook RSI had. De pijn in mijn rechterarm worstelde zich mijn torso in, bundelde de krachten met zijn nieuwe vriend aan de linkerkant, waarna het vermogen werd opgevoerd. Ik droeg een stierenvechtersjasje van pijn. Twee zeer scherpe punten verschenen: eentje in m’n rechtervoorarm, eentje net binnen m’n rechterschouderblad. Het was alsof iemand twee vleespennen in me had geboord. Toen ging m’n bovenrug op slot.

Dit is wat veel mensen niet over RSI weten, of in ieder geval niet over de versie die ik nu had: ze denken dat die alleen pijn doet tijdens de activiteit die het veroorzaakt heeft. Nope. Het doet altijd pijn, elke minuut van de dag. Elke beweging maakt het erger; zelfs een sleutel omdraaien of de bladzijden van een boek omslaan. En mensen vragen altijd, “is het carpaaltunnelsyndroom?” – wat zoiets is als vertellen dat je uit Schotland komt en ze je vragen of je hun tante Jill uit Fife kent.

Ik bracht elk weekend aan het begin van 2011 door terwijl ik plat lag. Het was te pijnlijk om iets te doen. Ik kon niet met de kinderen spelen. Ik flanste een Willie Wortel-achtige constructie van kledinghangers in elkaar om m’n iPhone boven m’n gezicht te houden. Nu kon ik tenminste tv kijken. Pointless heeft me door deze maanden gesleept; ik zal dat tv-programma altijd dankbaar zijn.

Op dit punt was de pijn bezig mijn geestelijke gezondheid te verwoesten. Ik was nog steeds met Kevin aan het schrijven, maar ik moest de halve dag liggend op de vloer doorbrengen en dat was het enige wat ik kon doen om niet in tranen uit te barsten. M’n volledige lichaam was in een vlammende ruzie met zichzelf verwikkeld. Wat was er met me aan de hand?

Vijf maanden was ik onder de behandeling van Rhys en ik was er sléchter aan toe. Geen enkel moment overwoog Rhys dat hij misschien, ergens onderweg, iets verkeerd had gezien.

“Denk je dat ik ooit beter zal worden, Rhys? In ieder geval beter genoeg om te tekenen?”

“Nee, je zult nu iemand anders moeten vinden om de strips te tekenen!” zei hij blij, waarbij hij niet helemaal besefte dat hij zojuist mijn ziel uit me had gerukt en die over z’n knie in tweeën had geknakt. Ik strompelde, niet voor het eerst, huilend naar huis.

Bovendien kan aan Rhys’ houding tegenover zijn patiënten nog wat gewerkt worden.

Het was Polly die me uit m’n emmer van wanhoop viste. Je moet koers wijzigen, zei ze; probeer de fysiotherapie waarvan je verteld werd dat die niet zou helpen. Ze vond de website van een dure fysiotherapeute genaamd Louise, die me een fatsoenlijke set oefeningen gaf en die mijn pijnlijke lichaam wekelijkse kneedde. Al snel ging mijn bovenrug niet meer op slot – een flinke verbetering. Mijn laatste bezoek aan Rhys was rond deze tijd: zijn collega, die me die dag behandelde, probeerde me wat homeopathie te slijten. De klere met die onzin.

Er viel me iets op. Louise, die duidelijk beter was dan Rhys en Victoria, droeg normale kleding. Rhys en Victoria droegen allebei korte, witte uniformjasjes met korte mouwen. Wanneer iemand nep-medische kleding draagt als dat niet hoeft, wees dan op je hoede. Dat jasje is deel van een theaterkostuum, om jou een plezier te doen. Ik durf te wedden dat ze ergens voor compenseren.

Vertimmeren

M’n vooruitgang haperde. Ik probeerde meer invalshoeken.

Ik vroeg me af of mijn manier van lopen een domino-effect op mijn lichaam had en ging naar een chiropodist. Zij was de eerste van drie voetenexperts die mijn looppas veranderden en dure ortheses op maat voor me maakten. Dit deed niets voor m’n bovenlichaam, maar binnen twee jaar waren wel m’n voorheen prima voeten geruïneerd. Het herstel bestond eruit twee jaar lang precies het tegenovergestelde te doen van alles dat zij zeiden. Dit gezelschap is dus veruit het ergste van de professionals waar ik mee te maken heb gehad. Maar dat zal een andere opbeurende blogpost zijn, volledig over chiropodie, dat – naar mijn ervaring, tenminste – een hoop stomende stront is.

Ik nam lessen Alexandertechniek, wat zoiets was als leren autorijden voor gevorderden terwijl je auto nog steeds om een boom gevouwen is. Niet schadelijk, maar je moet toch eerst je auto min of meer terug op de weg krijgen. Een zenuwarts gaf me steroïde-injecties; geen effect. Een schouderspecialist onderzocht me drie hele minuten, haalde zijn schouders op, rekende 195 pond, wees me de deur, en vloog toen met zijn gouden helikopter naar een specialisten-golfbaan waar de bunkers tot de nok toe gevuld zijn met robijnen, waar de buggy’s getrokken worden door met hun manen wapperende eenhoorns, waar om kwart over drie ’s middags een zacht regenbuitje van champagne valt, waar ze in plaats van naar het toilet te gaan in Ming-vazen poepen, die ze voor de lol kapotslaan op de hoofden van de bediening.

Een orthopedisch chirurg keek me na en had, alsof hij een eigenzinnige smeris was, een vermoeden. “Een van de tussenwervelschijven in je nek is misschien verzakt,” zei hij. Dus deden we een scan: je hebt nooit eerder een rechtere, gezondere ruggengraat gezien, of een cartoonist die er zo van ondersteboven was erachter te komen dat hij er een had. Rond deze tijd zocht ik wanhopig antwoorden, zelfs als het slechte antwoorden waren. Waarom was ik in godsnaam niet aan het genezen?

Maar er zat niets anders op dan door te gaan, dus dat deed ik de rest van 2011. Louise nam me elke zeven dagen onder handen. Toen ik als een tweederangs-Frankenstein uit elkaar geschroefd moest worden, ging ik naar een nieuwe osteopaat. Nog een andere zenuwarts; nutteloos. Een elleboogspecialist; niets. De orthopedisch chirurg gaf me een steroïdeprik achter mijn rechter schouderblad, precies waar die vleespen van pijn zat. Het loste niets op, maar ik zal altijd onthouden wat de anesthesist zei toen hij me injecteerde.

“Dit is het spul dat die dokter aan Michael Jackson gaf!” zei hij, precies op het moment dat hij de zuiger naar beneden duwde.

Het diepste punt (opnieuw)

Eind 2011 werd de pijn weer erger. Ik had geprobeerd RSI vol te houden. Ik was daar niet slecht in, maar alles heeft z’n grens, en de mijne kwam met zeventien maanden. Ik werd depressief en boos. Ik had geen idee wat ik verder moest doen – fysiek, medisch, emotioneel. Voor de cartoonist is tekenen niet alleen een baan; het is hoe je je verhoudt tot de wereld. Het is deel van wat het inhoudt om jou te zijn. En nu was dat deel afgesneden en vervangen door eindeloze pijn. Ik kon mijn stemming niet verbeteren met lichaamsbeweging, want beweging deed pijn. Omgaan met chronische pijn kost energie. Afhankelijk van hoe erg het die dag is, moet je doen alsof het er niet is, ermee onderhandelen, of je weg eromheen vinden. Er is een constante psychische tol. De meesten van ons kunnen dat een dag, een week, een maand of hoe lang dan ook, zolang we een einde in zicht hebben. Ik had geen zicht op een einde.

En 2011 was het jaar van Vijftig Tinten Grijs, dus ik bleef lezen dat pijn sexy zou zijn. Dat is het verdomme niet. Het was op dat moment niet echt leuk om met me te leven.  Opnieuw kon ik geen stap voorwaarts zien en zag Polly die wel voor me.

Andy’s verhaal gaat volgende maand verder.

 

Tekst: Andy Riley

Bron: misterandyreily.com

Link: misterandyriley.com/2017/10/28/my-rsi-catastophe-and-how-i-clawed-my-way-back

28 oktober, 2017

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top